Digitaliseren Digitaal geboren materiaal

Auteur(s):

Brecht Declercq

Licentie

CC BY-SA 4.0
5/4/2022

Digitalisering versus digitale migratie

  • Techblog

Op het eerste zicht is het onderscheid tussen analoog en digitaal voor de hand liggend, maar in de praktijk is dat niet altijd het geval. De term 'digitalisering' dekt bijgevolg niet altijd de lading en wordt wel vaker verkeerd gebruikt. In deze techblog scheppen we duidelijkheid over de terminologie door een duikje te nemen in de geschiedenis.

Volgens de definitie betekent digitalisering het omzetten van analoge naar digitale informatie. Maar bij meemoo vinden we deze strikte benadering niet voldoende. We streven er weliswaar naar om analoog audiovisueel materiaal digitaal te maken, maar daarnaast willen we dit digitaal signaal ook verankeren in de vorm van een bestand. Zo kunnen we deze bestanden nadien ook bewaren in ons archiefsysteem: een massaopslaginfrastructuur die gebruik maakt van servers en tapes. Dit stelt ons in staat om de bestanden en hun inhoud sneller en eenvoudiger te beheren, verplaatsen, kopiëren, controleren, analyseren, beschrijven en meer.

Er bestaan allerlei soorten audiovisuele media: van platen tot cassettes, videotapes en films. Voor het leeuwendeel is digitalisering de belangrijkste stap, die tegelijkertijd het meest in het oog springt. Daarom hebben we de neiging om de term ‘digitalisering’ te gebruiken, als een pars pro toto voor een veel breder geheel aan activiteiten. Strikt genomen is de term niet altijd correct.

Van analoog naar digitaal

Als we het hebben over audiovisueel materiaal, spreken we gewoonlijk over dragers van analoog versus dragers van digitaal audiovisueel materiaal. Om het onderscheid tussen de twee te duiden, kijken we even terug naar de geschiedenis van het bewaren van audiovisueel materiaal. De afgelopen twee eeuwen evolueerden de manieren waarop we dit materiaal bewaarden aan een sneltempo. Hierdoor ontstond een hele groep dragers middenin de overgang van de analoge naar de digitale wereld.

Evolutie van analoge naar digitale bewaring in vogelvlucht

Digitale informatie is in feite niets meer dan informatie uitgedrukt in cijfers. Elk cijfer wordt gecodeerd in een combinatie van nullen en enen. Digitale informatie is niets nieuws onder de zon: de mens bewaart al eeuwenlang informatie op deze manier.

Een voorbeeld hiervan zijn de ponskaarten uit de 18e eeuw: een gaatje stond gelijk aan 1, geen gaatje stond gelijk aan 0. Tot en met de eerste decennia van de 20e eeuw bleef deze ‘digitaal’ bewaarde informatie relatief simpel: het ging om reeksen van cijfers, die hoogstens met elkaar gecombineerd werden in boekhoudkundige tabellen.

In beeld: 'Herman Hollerith ponskaart', 1895, Railroad Gazette, publiek domein.

In de negentiende eeuw al werd digitale informatie omgezet in geluid, zij het op een bijzonder eenvoudige manier. Boeken voor draaiorgels maakten gebruik van hetzelfde principe als ponskaarten: afhankelijk van de aan- of afwezigheid van een gat in het karton, werd er lucht door de orgelpijpen gestuwd of geblokkeerd. Zo ontstond er muziek. Decennialang ging de digitale bewaring van audiovisuele informatie niet verder dan dat.

Tegelijkertijd ontstonden verschillende analoge dragers voor audiovisueel materiaal, zoals de fonogram en de grammofoonplaat, die het eenvoudiger maakten om complexe signalen zoals spraak te bewaren en (in het geval van de grammofoon) opnieuw af te spelen. Deze technieken waren allemaal gebaseerd op een gravure met een naald. Net voor de start van de 20e eeuw werd de staaldraadopname uitgevonden: dé basis voor alle latere magneetbanddragers. Door metaalpoeder aan te brengen op een draad en de deeltjes te magnetiseren, werd het mogelijk om geluid op te nemen. Op dat moment bestonden er dus dragers voor complexe audiovisuele informatie én beschikten we tegelijkertijd over een digitaal gecodeerd audiovisueel bewaarmedium: de draaiorgelboeken. Op een combinatie van beide was het nog even wachten.

In 1937 werd pulscodemodulatie uitgevonden, een manier om een analoog signaal digitaal voor te stellen. In 1967 werd deze manier van geluidsinformatie digitaal coderen uiteindelijk gecombineerd met magnetisatie op een band. Deze manier van werken bleef in gebruik tot het begin van de 21e eeuw, denk maar aan de Digital Betacam en Digital Audio Tape.

Van digitaal signaal naar bestand

Pulscodemodulatie maakte het mogelijk om de bewaring van audiovisueel materiaal naar een hoger niveau te tillen. Toch bleek het succes beperkt, vanwege drie grote nadelen.

  • Ten eerste is deze manier van coderen enorm plaatsrovend: om zelfs maar het kleinste stukje bewegend beeld of geluid te bewaren, was enorm veel tape nodig.

  • Ten tweede is band als drager niet bepaald praktisch, omdat het informatie lineair bewaart. Je moet door- of terugspoelen om de informatie te vinden die je zoekt. Even terzijde: dit gaat trouwens ook op voor LTO-tapes, een opslagmedium dat vandaag zeer populair is in grote audiovisuele archieven - ook bij meemoo maken we er gebruik van.

  • Ten derde worden de digitale signalen niet bewaard als bestand. Dit zorgt ervoor dat de manier waarop digitale informatie wordt gestructureerd, verschilt van drager tot drager. Om de informatie te lezen heb je niet alleen de juiste afspeelapparatuur nodig, maar ook kennis over de structuur en de code. Daarvoor moeten we even een blik werpen op de geschiedenis van het bewaren van bestanden.

Bewaren van bestanden

Het woord ‘bestand’ is al sinds de jaren 1950 in gebruik in de context van digitale informatie. Maar het echte verpakken van digitale informatie als bestanden zoals we ze vandaag kennen, ontstond pas in de jaren 1970 - tegelijk met de eerste floppy disks. Daarop kon men voor het eerst ooit elk bestandsformaat bewaren. Het nadeel? De capaciteit bedroeg nauwelijks 1MB!

Zo kon het bewaren van digitale informatie, het bewaren van complexe audiovisuele informatie en het bewaren van bestanden enkel samenkomen onder de voorwaarde dat de audio of video heel klein waren, of het opslagmedium voldoende capaciteit bezat. Beide bewegingen vonden ongeveer gelijktijdig plaats. De oudste gestandaardiseerde digitale bestandsvorm voor bewegende beelden, H120, dateert van 1984. De resolutie bedroeg 176 op 144 pixels en liep aan 30 frames per seconde. Dit afspelen vereiste van de computer dat het de beelden verwerkte met 2MB per seconde: een heuse prestatie voor die tijd!

Eens dit van de grond kwam, gingen de zaken heel snel vooruit. De capaciteit van de opslagmedia groeide enorm snel, net als de capaciteit en het vermogen om scherpere, meer heldere en mooier gekleurde beelden af te spelen. Manieren om beelden mooier en in kleinere formaten te coderen, werden vastgelegd in normen voor bestandsformaten. Ook deze evolueerden aan een hoog tempo. Deze bliksemsnelle evolutie zorgt ervoor dat we nog steeds moeite kunnen hebben met het herkennen, transfereren, lezen en afspelen van bestanden - ondanks het feit dat het signaal digitaal is en in de vorm van een bestand bestaat.

Digitale migratie

Dit relaas toont aan dat er een heleboel dragers bestaan die niet gewoon analoog of digitaal audiovisueel materiaal bevatten. Ze bevatten audiovisuele informatie die reeds digitaal is, maar nog niet bestaat in de vorm van een bestand. Of het gaat nog een stap verder, zoals bij de DVD: de dragers bevatten audiovisueel materiaal - digitaal en in bestandsvorm - maar zijn niet eenvoudig of snel te beheren omdat ze niet bewaard worden in een infrastructuur voor digitale massa-opslag.

Bij meemoo willen we deze informatie redden en bewaren. Omdat het gaat om informatie die reeds digitaal is, voldoet de term ‘digitalisering’ niet. Daarom spreken we liever over ‘digitale migratie’ of ‘digitale transfer’.

Deze blogpost werd oorspronkelijk geschreven door Brecht Declercq (manager Digitalisering en Acquisitie) voor de website van Digital Preservation Coalition. We publiceerden hem in vertaalde en licht gewijzigde vorm.

We halen de pagina op, even geduld...